NRC HANDELSBLAD
Briljant terloopse foto's van de alledaagse natuur
Door Sandra Smallenburg
Tentoonstelling: Diep Licht, foto's van Marnix Goossens . T/m 7/5 in: Fries Museum, Turfmarkt 11, Leeuwarden. Di t/m zo 11-17u. Inl: 058-2555500, www.friesmuseum.nl. Catalogus € 29,50.
Kan een plant verliefd kijken? Op de foto's van Marnix Goossens (Leeuwarden, 1967) in ieder geval wel. Het werk Vertiligo (2005) laat zien hoe een blad van een kamerplant zich als een aanhankelijk wezen zachtjes tegen zijn buurman vlijt. De knuffelpartij is romantisch in beeld gebracht - een tikkeltje overbelicht, en met een zwoele soft-focus-zweem die je onmiddellijk terugbrengt in de jaren zeventig. Dat retro-gevoel wordt versterkt door de soort plant: die bleke, groenomrande bladeren kon je dertig jaar geleden in iedere huiskamer vinden.
Goossens maakt foto's van doodgewone dingen - plastic bloemen in een vaasje, of een patroon van wolken op een muur van reliëfbehang - maar doet dat op zo'n manier dat bij de kijker een heel vat aan herinneringen wordt opengetrokken. Zo'n vaasje had oma vroeger ook op de vensterbank staan. En dat behang, bestaat dat nog?
Op zijn tentoonstelling Diep Licht in het Fries Museum zijn zo'n veertig fotowerken uit drie categorieën bijeengebracht: portretten, landschappen en stillevens. De natuur is een steeds terugkerende inspiratiebron, maar verwacht bij Goossens geen spectaculaire vergezichten of ongerepte wildernis. ,,Het mag geen ansichtkaart zijn', zegt de kunstenaar in een reportage van Omroep Friesland, die de tentoonstelling inleidt. En dus fotografeert hij de coniferen in de achtertuin, die exact dezelfde kleur groen zijn als het pas gemaaide gras aan hun voeten. Of richt hij zijn camera op een mysterieus gat in een rododendronstruik.
Soms is de natuur in reproductievorm aanwezig, zoals de rozen op een zonwering die na decennia zo verbleekt is dat je er haast doorheen kunt kijken. En soms verschijnt de natuur op plaatsen waar je haar niet verwacht: langs de snelweg bijvoorbeeld. Goossens wist een geluidsscherm (Soundwall, 2003) met daarvoor een onbenullig struikje zodanig te fotograferen dat het geheel de allure krijgt van een tropisch regenwoud. Een vogel vliegt op. Dat hij nep is - een sticker die moet voorkomen dat soortgenoten zich te pletter vliegen - heb je pas in tweede instantie door.
Maar als Goossens zich echt in de jungle begeeft, bijvoorbeeld tijdens een van zijn reizen door Azië, lijkt hij zich opeens geen raad te weten en vervalt hij in clichés. Cascade (2002) is een foto zoals je die ook in reisbrochures aantreft. De waterval is met lange sluitertijd genomen, waardoor het lijkt of het water als een witte sluier langs de rotswand glijdt. En Jungle (2002) ziet eruit zoals je van een jungle verwacht - veel groene boomtoppen en een dampende lucht erboven. Deze beelden missen de briljante terloopsheid van zijn 'Hollandse' foto's.
In zijn portretten heeft Goossens vooral een scherp oog voor zaken met een hoog lulligheidsgehalte. Hij laat een vriendin poseren in een suf bloemetjesjurkje, en zet zichzelf te kijk in een cowboybloes. Het zijn beelden met een gezonde dosis zelfspot, overgoten met een dun laagje camp. Maar soms weet de fotograaf geen maat te houden. Voor het portret Lawrence en Liz (2001) heeft Goossens een krankzinnig decor gevonden: een hotelkamer met afzichtelijke bruine vloerbedekking en een ouderwets bed van hardboard. Het stel zit naakt op een bruine wollen deken. Over hun schouders heen kijken we met hen mee naar een wallposter van een herfstlandschap; op zich al een absurd tafereel. Om dan ook nog eens hun ruggen te bedrukken met neptatoeages van een panter en een tijger, is een beetje te veel van het goede. Zonder die vette knipoog was de foto beter geweest.
Goossens is op zijn best als hij dicht bij huis blijft, en de onverwachte kanten laat zien van plekken, dingen en mensen die we zo goed denken te kennen. Als hij ons met zijn nuchtere, relativerende blik wijst op gekke details in ons dagelijks leven. Gewoon is bij hem al mooi genoeg.
Sandra Smallenburg
DE VOLKSKRANT
Goossens onnavolgbare grilligheid blijft fascineren
Merel Bem
Fotografie
Is dit alles? Ja, dit is alles: een donker gat tussen de rododendronstruiken, een geheime plek om hutten te bouwen. Dit is alles: een tropische palmboom zonder kruin. De bleke bladeren van een plant. Een watermeloen op een versleten leren kussen. De schaduwen van gebladerte op een zandpaadje. Een kitscherig vaasje met nepbloemen in de vensterbank.
Meer is er op het eerste gezicht niet te zien op deze foto's van Marnix Goossens (1967), nu in het Fries Museum in Leeuwarden. Hier, in zijn geboorteplaats, presenteert de fotograaf zijn eerste solotentoonstelling. Diep Licht toont een overzicht van meer dan dertig groot-formaat werken uit de laatste tien jaar.
Goossens, die zowel in de autonome kunstwereld als in die van de reclame zijn sporen heeft verdiend, heeft in die tijd een eigenzinnig en grillig oeuvre opgebouwd. Die kwalificaties alleen al zijn bijzonder omdat de fotograaf zich voornamelijk toelegt op oeroude, misschien mag je wel zeggen: clichématige, kunsthistorische thema's. Zijn foto's zijn grofweg in te delen in drie genres: het stilleven, het landschap (de natuur) en het (zelf)portret. Maar Goossens zou Goossens niet zijn als hij daaraan niet een geheel eigen invulling gaf. Een invulling die voor een buitenstaander na enig zoeken vaak wel te volgen is. En soms ook helemaal niet.
Marnix Goossens houdt zich bezig met de zichtbare wereld, lees je vaak in beschouwingen over zijn werk. En ja, in eerste instantie lijkt dat te kloppen. Dat holletje tussen de struiken, een bloesemboom die zijn roze blaadjes heeft afgeschud, een grindvlakte met klaprozen - het zijn beelden die iedereen kan zien en waaraan menigeen voorbijloopt. Waarom daar een foto van maken?
Dat wordt pas duidelijk op de foto zelf - tenminste: als die werd gemaakt door Marnix Goossens . De fotograaf gebruikt al jaren een technische camera, die meer en gedetailleerder 'ziet' dan het menselijk oog. Waar het oog slechts scherp kan stellen op een bepaald gebied, levert de lens van de technische camera een overall haarscherp beeld op, een zichtbare werkelijkheid die meer aanwezig, objectiever en betekenisvoller lijkt dan de 'echte' zichtbare werkelijkheid.
Bovendien richt Goossens zijn camera niet zomaar op elk landschap. Zijn voorkeur gaat uit naar plekken waar de natuur moet woekeren en wedijveren met cultuur. De beplanting tegen de geluidsmuren langs snelwegen bijvoorbeeld, obligaat en niet spannend. Maar op de foto van Goossens is ze sexy en tropisch broeierig, en krijgt de donkere vogelsticker op de glazen muur iets dreigends.
In dit licht worden ook de andere foto's van Goossens begrijpelijker. Als de camera echt een nieuwe versie van de zichtbare werkelijkheid kan creëren, dan is dat ook interessant met betrekking tot jezelf. Diverse zelfportretten in Leeuwarden tonen verschillende versies van Marnix Goossens : Goossens als popster, Goossens als Oostenrijkse boer, Goossens als man in een roze gebreide trui. Is dit alles?, ben je opnieuw geneigd te denken, zulke simpele verkleedpartijtjes? Ja, dat is alles, maar het is ook meer. Goossens poseert graag met familieleden, met wie hij frappante gelijkenissen vertoont (een bonkig, asymmetrisch gezicht met grote ogen en volle lippen) en waardoor ook op die manier, binnen de foto's zelf, andere uitvoeringen van hemzelf ontstaan.
Tot zover is alles duidelijk. Maar dan openbaart zich Goossens' onnavolgbare grilligheid. Want wat doet in vredesnaam die poedelnaakte, niets verhullende vrouw hiertussen? Behoort zij ook tot een zichtbare werkelijkheid die door de camera van betekenis moet worden voorzien? Met een poes als attribuut zeker - kom nou toch! Ook andere foto's zaaien vertwijfeling. Van de meloen op het versleten bankje is met de beste wil van de wereld niets meer te maken dan een meloen op een versleten bankje.
Dit zijn beelden die het misschien beter zouden doen als reclamebeelden, voorzien van een context. Verwarrend zijn ze. Maar ook wel weer leuk, omdat ze de kijker en zijn zelfverzonnen theorietjes onderuithalen.
Dat is alles. Maar is het ook genoeg? Nog lang niet. Dit smaakt naar meer.
Merel Bem
Marnix Goossens : Diep Licht. Tot en met 7 mei in het Fries Museum, Leeuwarden. Catalogus 29,50.
DE GROENE AMSTERDAMMER
Marnix Goossens
door Jente Posthuma
Tijdens een tirade over het visuele analfabetisme van zijn collega-filmmakers zei Peter Greenaway onlangs in een interview: ‘De meeste mensen realiseren zich niet dat ons beeld van de werkelijkheid afhankelijk is van onze kennis van de beeldende kunst. Elke nieuwe generatie kunstenaars verandert ons wereldbeeld.’ Greenaway doelde vooral op Caravaggio, Rembrandt, Vermeer en zichzelf. Ook Marnix Goossens (1967) mag zichzelf een vernieuwer noemen. Zijn composities spelen in op de manier waarop we kijken; op ons geheugen – soortgelijke beelden die we eerder hebben gezien – en op onze verbeeldingskracht. Sterker nog, in Goossens’ landschappen, stillevens en portretten vallen realiteit, geheugen en verbeeldingskracht in de perfecte verhouding samen. Zo kan een levensgroot stilleven of een blanco blik van een van zijn geportretteerden gelijktijdig vreemd aanvoelen en bekend. Goossens doet een beroep op het collectieve geheugen, terwijl hij tegelijkertijd ons wereldbeeld een beetje verschuift. Alsof we iets herkennen wat we nog niet eerder hebben gezien. Sinds het verschijnen van zijn boeken Regarding Nature (2001) en Supernatural (2004) kom ik Goossens regelmatig tegen. Niet de kunstenaar, maar zijn foto’s die, opgeslagen in mijn herinnering, mijn omgeving opnieuw hebben geordend. Afgelopen zomer, bijvoorbeeld, zag ik hem aan het water in de Nieuwe Meer, in een groepje struiken. Het was een uur of zes ‘s avonds, en er was iets met het heldere licht, de verschillende kleuren groen, de volmaakt ronde vormen en de stilte die er hing waardoor ik een glimp van Goossens opving. Ook zie ik hem wel eens in het bos, in parken of plantsoenen en soms in een interieur of een bloemetjesgordijn. Het is ‘m nooit helemaal. Tenslotte zijn het mijn ogen die kijken en mis ik het kader waarbinnen de kunstenaar de werkelijkheid in een nieuwe orde dwingt.
Ik ontmoet Goossens in Leeuwarden, waar hij in het Fries Museum de voorbereidingen treft voor zijn eerste overzichtstentoonstelling. Hij heeft een grote vuilniszak bij zich. ‘Plastic bloemen’, zegt hij, voor een tientje meegenomen uit de etalage van een kledingzaak. Met vaas erbij. Het moesten per se die bloemen zijn, en die vaas, want het liefst fotografeert Marnix Goossens de dingen zoals hij ze aantreft. Zoals vorige week, in een café, toen hij op de ruit van een drankkast achter de bar een geel vlekje ontwaarde. Van een afstand was het net een parkietje. Bij nadere bestudering bleek het wat uitgesmeerde sinaasappelpulp – de pers stond er vlak onder – maar hij verzocht de barvrouw het vlekje nog even te laten zitten. In ieder geval tot de volgende dag, als hij terug zou komen om het te fotograferen.
In Leeuwarden zijn drie zalen gereserveerd voor zijn portretten, zelfportretten, stillevens, landschappen en natuurbeelden, gemaakt tussen 1996 en 2005. Een paar dagen voor de opening is bijna alles opgehangen, op een zeer expliciete naaktfoto na. Deze Vrouw op Stoel met Kat (2001) toont een vrouw op een stoel die ons grijnzend een haarscherpe blik tussen haar benen gunt. Op de grond naast de stoel zit een kat. Goossens’ knipoog naar de pornografie en de kuisere naakten uit de schilderkunst is zó vet dat je ‘m niet eens meer flauw mag noemen: hij knipoogt naar het knipogen, en dat is juist wel weer subtiel.
Indrukwekkender echter is de foto van een neerslachtige jonge vrouw die een bordje met meloenschillen vasthoudt (My Love with Melon, 2000), eveneens een beeld dat associaties oproept met de schilderkunst. Het is niet haar gezichtsuitdrukking of houding die indruk maakt, of de restjes meloen op het bord, maar het is alles bij elkaar. Alsof in dit ene beeld lang vervlogen eeuwen met het heden samenvallen. Ook Aftermath (2003), een donkere foto van een plant achter bobbeltjesglas, lijkt net een schilderij.
Vroeger schilderde Goossens. Totdat hij erachter kwam dat hij met fotografie beter uit de voeten kon. Hij is geboeid door hoe de wereld eruit ziet als hij door een kader kijkt, maar hij is altijd als schilder blijven kijken. Binnen dat kader is hij vrij om zijn eigen gang te gaan. Nieuw is het niet, het geflirt van fotografen met de schilderkunst; onder critici wekte het de laatste jaren zowel bewondering als irritatie. Maar Goossens is geen ‘luie schilder’, zoals sommigen onder hen fotograferende kunstenaars graag noemen. Zijn werk gaat over meer dan associaties met bestaande beelden; het gunt ons een glimp van een ‘wereld achter de wereld’: een ‘eeuwige werkelijkheid’ die zo verstild is dat je oren ervan gaan suizen. Overigens is deze eeuwigheid niet zo zwaar als die klinkt; die kan zo licht zijn als de bloemetjesjurk van een blonde, mollige vrouw (Margit, 2004), die met defensieve blik haar weerloze lichaam tegen de genadeloos scherpe camera probeert te beschermen. En de wirwar van dunne takjes in Silver (2004) oogt zelfs bijna gewichtloos.
Eind jaren negentig maakte Goossens vooral zelfportretten en zorgvuldig geënsceneerde foto’s van interieurs (waarin de meloen in ongeschonden vorm ook al een paar keer opduikt). Niet lang daarna richtte hij zijn blik naar buiten, op dezelfde geïsoleerde manier, maar zonder drastisch in te grijpen in de werkelijkheid. ‘Mijn directe omgeving staat model voor wat ik van binnen voel,’ verduidelijkte hij het destijds zelf. Zonder dat hij iets hoefde te doen bood de natuur hem genoeg waardevolle onderwerpen. Ze hadden alleen nog een kader nodig.
Inmiddels kan álles bij Goossens aanleiding zijn voor een foto: een vreemd vlekje, een bloesje, een bijzondere boom, een reliëfbehang of een paar bladeren aan een struik. Zijn blik is onbevangen, niet geleid door vooropgezette ideeën, conventies of categorieën. Afgaand op zijn intuïtie loopt hij zomaar tegen zijn onderwerpen op, maar hij blijft wél de regisseur: ‘Ik ben de baas over de werkelijkheid en niet andersom.’ Ook zijn manier van werken lijkt op die van een schilder. Geen luie schilder overigens, want als iets eenmaal zijn aandacht heeft getrokken is een foto niet zomaar gemaakt. Wat dan volgt formuleert Goossens als ‘een proces van eenwording’: hij blijft net zolang door de lens kijken tot hij is opgelost in zijn onderwerp. ‘Soms kan ik wel drie uur om een bosje heen hangen voor ik een foto heb gemaakt.’ Goossens zoekt zorgvuldig naar de juiste compositie, de juiste belichting en, in het geval van een portret, het juiste moment. ‘Dan kan ik heel dwingend zijn, dat is voor de geportretteerde niet altijd even makkelijk.’ Hij fotografeert wat er tijdens het fotograferen gebeurt, zonder van tevoren te weten wat dat is en ook zonder daar bewust naar op zoek te zijn.
In de keuze van zijn onderwerpen gaat verwondering vaak met humor gepaard: een uitgestrekte grindvlakte waarin klaprozen groeien, een onthoofde palmboom die zich naar een sombere hemel uitstrekt, een overbelichte zonsondergang of een groot gat in een rododendronstruik. Zelfs aan zijn meest monumentale landschappen kleeft altijd iets relativerends. Meestal is een bizar kledingstuk de aanleiding voor een portret. Bijvoorbeeld een glanzend cowboyhemd met bloemen erop of een tiroler pak (met hoedje) waarin Goossens zichzelf met vriendin aan zijn zij in een Alpenlandschap heeft afgebeeld. In de serieuzere portretten weet hij de ernst op subtiele manier enigszins af te zwakken. Dat lukt hem zelfs in het indringende portret van Bart (2003), een man met een bont en blauw geslagen gezicht die gelaten in de camera kijkt. Zijn huid is bijna net zo grauw als de muur achter hem. In de rechter bovenhoek van de foto is nog net de punt van een zorgeloos opwippend takje te zien (de natuur heeft in Goossens foto’s wel vaker menselijke eigenschappen). Het heeft het effect van een vrolijk wijzende vinger die alle leed in een klap relativeert.
De laatste jaren maakt Goossens ook abstracter werk: intrigerende schaduwen tegen een ondefinieerbare achtergrond. ‘Dat is het patroon van een kunststof matrasje,’zegt Goossens wanneer ik hem naar een van deze achtergronden vraag. Van een andere foto verraadt alleen de titel wat erop afgebeeld is: Soundwall (2003), een geluidswal dus. De opgeplakte sticker van een vogel op het glas moet voorkomen dat er echte vogels tegenaan vliegen.
Deze kennis is uiteraard niet nodig om de beelden te kunnen waarderen. Zo doet het er ook niet toe dat het gele parkietje dat Goossens fotografeerde - en dat niet in deze tentoonstelling te zien is – eigenlijk een kwak uitgesmeerde sinaasappelpulp is. Het gaat er juist om dat dit niet duidelijk is. Want al fotografeert Goossens zijn omgeving zoals hij die aantreft, hij doet nooit pogingen die werkelijk te laten zien.
Diep licht, Fries Museum, Leeuwarden, t/m 7 mei. Publicatie: Diep licht, Episode Publishers Rotterdam, ISBN 9059730410.
KUNSTBEELD
Marnix Goossens
De schilderkunst kent een aantal klassieke genres: stilleven, portret, landschap, naakt en historiestuk. Wie iets binnen één van deze onderwerpen wil verbeelden loopt altijd tegen het gewicht van de kunstgeschiedenis aan, of het nu gaat om een schilder of fotograaf. Tegelijkertijd moet diegene concurreren met de karrenvracht aan beeld die vrijwel dagelijks in de (massa)media wordt geproduceerd. We zijn zo gewend geraakt aan beelden en afbeeldingen, dat we ze meestal als vanzelfsprekend ervaren. Ze houden maar zelden lang de aandacht vast. Ook zijn we zeer vertrouwd geraakt met het complete arsenaal aan ‘waarheden’ dat bijvoorbeeld de fotografie ons kan bieden: van het ruwe, informele snapshot tot aan de supergestylde reclamebeelden die soms bijna in zijn geheel op de computer in elkaar geknutseld zijn. Welke positie kies je als fotograaf? Ga je mee in een gekende techniek, stijl of genre of probeer je er toch iets ‘nieuws’ aan toe te voegen, in de wetenschap dat dit schier onmogelijk is?
Marnix Goossens doet van alles een beetje. Hij is een kind van zijn tijd: een eclecticus. Hij speelt leentjebuur bij de grote, klassieke schildersgenres (met name portret, landschap, naakt, stilleven), hij verstaat zich met het snapshotbeeld en hij refereert aan de computergegenereerde fotografie. Zo komt hij uit bij een stijl die toch heel erg ‘eigen’ is. Het spelen met belichting en het inzoomen op de rijkdom aan details en kleurnuances binnen ogenschijnlijk onaanzienlijke situaties is zijn handelsmerk geworden.
Neem een landschapsfoto ergens in Almere, die hij schoot voor de serie ‘Regarding Nature’. Een volkomen informeel beeld: wat bomen, struiken en gebladerte, ergens in de groenzones die rijkelijk tussen de bebouwing van Almere door zijn gestrooid. Zo onaanzienlijk, dat we er dagelijks langs kunnen rijden, maar toch niet bewust registreren. Goossens fotografeert het stukje stadsnatuur echter precies op het moment dat er een lage wolk achterhangt, een bloemkoolwolk, die zich als een witte boom naadloos bij de rest van de vegetatie voegt.
Dit zijn typisch het soort beelden die tegenwoordig met het grootste gemak gephotoshopt kunnen worden, maar Goossens schoot de foto ‘real time’ met een technische camera. Hij doet dat vaker: een foto maken die hij met technische beheersing een ‘twist’ geeft, die ogenschijnlijk op de computer tot stand is gebracht, maar dat niet is.
In de schilderkunst is momenteel de achttiende-eeuwse, Duitse romantiek een aantrekkelijk referentiepunt. De Sehnsucht, de melancholie, het sublieme en de nostalgie, in die schilderkunst, kom je ook bij Goossens tegen, al is het vaak louter onderhuids. Er zit vaak een element van tristesse in zijn foto’s. Figuren zijn in zichzelf gekeerd, een stuk gordijn oogt afgeleefd, de natuur vecht tegen de gecultiveerde context waarbinnen het zich manifesteert. Alleen zou nostalgie bij Goossens eerder tijdloos genoemd kunnen worden. Waarmee we weer terug zijn bij de ‘klassieke’ schildersgenres die Marnix Goossens doelbewust hanteert, maar ook met een zekere distantie benadert. Hij legt niet zozeer de anekdotiek van de gegeven plek (of persoon) vast, alswel de universele ‘ziel’ ervan. Dat laat de foto’s boven het specifieke uitstijgen, waardoor het archetypische de boventoon gaat voeren. Daarmee geeft Goossens zijn persoonlijke visie op de in de loop der eeuwen uitgebeende genres.
Eén serie mist in de expositie ‘Diep Licht’ in het Fries Museum, waar ook een boek bij verschijnt dat 10 jaar van Goossens’ fotografie omvat: de naakten. Goossens maakte er een aantal die verontrustend expliciet en direct zijn. Als kijker maakt hij je tot een voyeur die ongemakkelijk de blik af wil wenden, maar toch blijft kijken. Doordat Goossens zo indringend zijn onderwerpen weet te verbeelden, dat kijken en blijven kijken de enige optie is.
Robbert Roos
T/m 7 mei, Fries Museum, Turfmarkt 11, Leeuwarden, di-zo 11-17 uur, www.friesmuseum.nl
OPENING TENTOONSTELLING DIEP LICHT
11 februari 2006 opening Diep Licht, werk van Marnix Goossens
Marnix Goossens is een jongen uit Leeuwarden die ons verkleed als Oostenrijker uitnodigt naar zijn geboortestad, waar zijn museumsolo “Diep Licht” heet terwijl je hem daar hoog in de bergen ziet staan. “Bauernherbst” is de titel van de foto op de uitnodiging, terwijl ik aanvankelijk dacht dat het zijn huwelijksfoto was. Aan ongerijmdheden ontbreekt het niet in dit oeuvre dat daarom wel als absurdistisch of surrealistisch wordt omschreven. Misschien is het ongerijmde wel het noodzakelijk zand dat we in de ogen krijgen gestrooid alvorens in staat te zijn de schoonheid van deze foto’s onverbloemd onder ogen te zien. Zand dat we onszelf in de ogen strooien want wij kijken gewoontegetrouw door een cultureel bepaalde bril met blasé-gekleurde randjes. Poseren op een alp, op een maagdelijke alp, dat is in onze tijd toch pure ironie. Dat werd in de jaren dertig van de vorige eeuw gedaan, maar in de eenentwintigste eeuw is zoiets onvervalste camp.
Zo beziet Marnix Goossens dat niet. Hij is in visueel opzicht een volstrekte vrijdenker. Hij bezit het vermogen om te kijken zonder ballast en ondervindt geen enkele hinder van vooropgezette ideeën, conventies of categorieën. Dat is geen naïviteit, Marnix denkt primair in beeld. Proporties van kleur en composities van volumes vormen zijn beweegredenen, en aan die dominante beweegredenen lijkt ieder onderwerp ondergeschikt. Lijkt, waarschuw ik maar alvast, want veel is anders dan het lijkt in Goossens landschappen en portretten die steeds opnieuw aan typeringen ontsnappen. En typeren, dat willen we zo graag.
“Bauernherbst” is om te beginnen landschap en portret ineen. Het is een verbluffend mooi werk, het is op het onverdragelijke af in orde. De uitsnede van het landschap is perfect, de contourlijnen van de bergen en de grenslijn tussen weide en bos zijn in volmaakte onderlinge harmonie. De schaduwen op de voorgrond van de twee mensen vormen subtiel daarmee een beeldrijm. Dat is echter allemaal slechts bijzaak als je oog eenmaal valt op het licht van de zon. De stralen vallen hoog en schuin op beide figuren en lichten delen van hun witte blouses uit tot een zeldzame graad van verhevigde, ozonrijke witheid. Het licht bindt de twee samen en hecht ze tot een toonbeeld van puurheid en zomergeluk. De plas zonlicht op het blonde haar van Marnix’ lief zou haar haast begiftigen met de allure van een engel als ze met haar houding die dagdroom niet loochenstrafte. De armen over elkaar geslagen en haar voeten stevig op de aarde geplant presenteert ze zich als nuchter en kordaat (zoals het hoort in Marnix’ foto’s). Zij zal niet gauw van een berg rollen, iets wat je met je met de licht uit het lood staande Fries niet zeker weet. De Oostenrijkse Margit is op vertrouwd terrein, bij de boerderij van haar grootvader. Door zich te hullen in de traditionele kleding van haar familie maakt de fotograaf dit spel van licht en compositie en passant tot een teder statement. Net als je denkt dat de foto’s er alleen maar zijn vanwege het esthetische beeld en dat betekenis niet van belang is, boor je bij langer kijken, onverwacht, ontroerende stof tot nadenken aan.
Stuk voor stuk ontsnappen Marnix’ foto’s aan definiëring. Ze laten zich niet vangen in soorten en er is geen rode draad. Het makkelijkst praten is het over de landschappen en de planten, ondanks de dubbele bodems die ook hieraan ten grondslag liggen. Natuurlijke schoonheid is voor een ieder vanzelfsprekend en we beschikken in dat opzicht over een geoefend oog. Het moeilijkst te benoemen zijn de zelfportretten.
Neem die bekende landschapsfoto met de zilveren wolk. Als een witte bol citroenijs schept Marnix de lichte wolk bovenop de bollen gevormd door bomen en bossages. De plaats van de wolk helpt de natuurcompositie lezen die er in aanleg al was. Maar op het moment dat we daarmee klaar zijn ontvouwt zich een tweede verhaallijn. Die van hoogopgeschoten onkruid aan de rand van de stad. Een half zichtbare trimmer maakt dat de vlekkeloze natuuropname ook gaat over deze tijd en over natuur als urbane stoffage. Zou daarin een definiëring zitten, die ondertoon van filosofische reflectie? Het zou kunnen, maar bij andere foto’s is weer veeleer sprake van erotische reflectie.
De majestueuze rododendron bijvoorbeeld bezit een donker schaduwgat onder zijn symmetrische bloemenpracht. Alof een zomerjurk hoog opgetrokken is voor een geprivelegieerde ontvangst. Marnix vertelde dat hij de struik zag bloeien in een klein plantsoentje tegenover de Rijksakademie. Gebiologeerd door het zwarte gat hoorde hij er geluid van flessen in, de struik bleek de schuilplaats van een zwerver. Als we weten dat de schoonheid van zo’n struik, net als die hele bekende foto van een grond bezaaid met roze bloesem (After), aan het stedelijke grauw ontstolen is, drukken we de schoonheid zonder een enkele scrupule aan het hart. Ook die van het plantentafereel achter het vuile raam met opgeplakte stickervogel. Maar hoe dan weer te reageren op dat klassieke coulissenlandschap van boomkruinen, gefotografeerd in Indonesië, het beeld links en rechts omkaderd met speelse takken (Jungle)? Is dat niet gratuit, is een dergelijke uitsnede niet al te mooi en cliché?
Nou, het woord cliché komt niet in Marnix’ vocabulaire voor. De vrijdenker volgt zijn eigen verwondering. Hij kent geen restricties van schaamte of gevoelens van ongemak. De talloze zelfportretten in kleurig gedecoreerde kleding die hij in zijn studietijd maakte, bewezen hoe vrijmoedig hij het begrip decorum hanteert. Aan de notie van decorum, in de zin van gepaste uiterlijke vormen, heeft Marnix altijd zijn eigen aanpassing gegeven. Het zal wel meer mensen zijn vergaan zoals mij (een famke uit Friesland dat van decorum het een en ander meekreeg - het heette toen je netjes gedragen en rekening houden met de buren), dat je er een tijdje over doet om zo’n gekanteld decorumbegrip te volgen. Maar dat het absoluut authentiek is blijkt wel uit de houdbaarheid.
Een van de meest ongrijpbare en mysterieuze portretfoto’s vind ik het dubbelportret met de bloemenblouses (Cowboy Couple). Die blouses, zegt Marnix, waren de reden om de foto te maken. Op zichzelf niets bijzonders, ook in ander werk valt zijn fascinatie op voor afgebeelde bloemen en voor kleurige jaren zeventig kleding. Maar de blanke blik waarmee zijn figuren altijd in de camera kijken went nooit, die wekt blijvend verbazing. Die heeft iets onbenoembaar vreemds. Ons beschouwend oog springt voortdurend heen en weer van het ene gezicht naar het andere, tuurt naar de overeenkomsten en verschillen, maar alles wat ze prijs geven heb je er als toeschouwer zelf ingelegd. Ik weet nu dat de persoon met het blonde haar een vrouw is, dat ze kleding ontwerpt, op de Rietveld heeft gezeten en in café De Jaren werkt. Maar dat te weten verklaart ook weer niks over het raadsel van beider uitdrukking, die blanco oogt, maar op een rare manier vol menselijkheid is. Gewoon, onopgesmukt en verraderlijk zuiver en, hoe vervreemdend ook, toch vertrouwd. Is dat een psychologische kwaliteit, een morele? Wellicht, het tegendeel valt ook niet staande te houden.
U merkt dat het geen enkele moeite kost om verstrikt te raken in de gelaagdheid van een oeuvre dat hier onder de mooie noemer Diep Licht wordt getoond. Het licht zelf blijft in deze foto’s evenmin aan de oppervlakte. Het speelt in al zijn facetten ongetwijfeld de hoofdrol en is de motor van de schoonheid. Tal van nuanceringen liggen aan de haarscherpe opname’s ten grondslag, het licht is gedempt, gefilterd, overbelicht, er is langdurige nachtelijke belichting, vol zonlicht, een verborgen of een fictieve lichtbron. Het licht is de vrucht van een immer onderzoekend oog. Licht is hèt materiaal van de fotograaf, maar de manier waarop Marnix Goossens ermee omspringt is die van de kunstenaar.
Tot besluit wil ik u daarover een geheim vertellen. Opdat u toch nog die gewenste rode draad stevig in handen krijgt. Marnix is in wezen een schilder. Hij heeft ook echt geschilderd, met kwasten en met verf. Daarmee is het ook mee gezegd, de schilderijen waren zo blank en neutraal als zijn blik op de zelfportretten. Maar ze vormden wel de aanloop voor zijn picturale uitbundigheid als fotograaf. Zo transprarant als een goede verfopbreng, zo transparant zijn ook zijn voorstellingen. Het is een kwestie van goed opletten, er schemert altijd wel ergens blauw water of blauwe lucht door het groen. Zijn bossages vormen fonteinen van sprankelende kleur.
Zijn we er dan, als we eenmaal attent zijn op dat picturale? Nee, dan begint het pas! Want is die bosgrond vol stokjes en sporen geen verwijzing naar Pollock en herinnert die bloemetjesjurk niet aan Seurat? Lezen we soms Weissenbruch in de witte blouses van Bauernherbst? Het moment om uw eigen associaties de vrije loop te laten is hierbij aangebroken. De tentoonstelling is geopend, laten we ons snel onder de bekoring brengen van Diep Licht.
Tineke Reijnders
|